Communicatieproblemen

Op deze pagina

Epilepsie, een verstandelijke beperking en autisme komen vaak samen voor. Omdat epilepsie van invloed is op hoe onze hersenen werken, kan epilepsie ook andere dingen beïnvloeden. Zoals de communicatie. Dan wordt het voor iemand met epilepsie bijvoorbeeld ingewikkeld om te begrijpen wat een ander zegt. Of misschien vindt diegene het moeilijk om te antwoorden. Ook is het vaak lastig om de juiste woorden te vinden.

Tijdens en na een aanval is dat nog ingewikkelder. Doordat iemand dan minder oplettend en moe is, gaat luisteren en praten extra moeilijk. Als hij of zij daarnaast ook een verstandelijke beperking heeft, wordt praten en luisteren nog lastiger. Bij mensen met autisme is er nog iets bijzonders aan de hand. Zij kunnen problemen hebben met het begrijpen van de ander omdat ze sommige woorden letterlijk nemen.

Problemen met communicatie

  • Mensen met epilepsie kunnen moeite hebben om met informatie om te gaan. Dat gebeurt bijvoorbeeld als iemand te snel praat. Een persoon met epilepsie begrijpt de informatie minder snel en snapt daardoor niet wat er wordt gezegd. Daarnaast heeft diegene meer tijd nodig om een vraag te begrijpen. En een antwoord te bedenken! Een rustig gesprek is daarom heel belangrijk.
  • Ook als iets rustig wordt verteld of gevraagd, kan het nog misgaan. Mensen met epilepsie hebben moeite met het verwerken van veel informatie tegelijk. Bestaat een zin of vraag uit veel delen? Dan kan de informatie lastig zijn om te onthouden. Dat maakt het moeilijk om een taak of opdracht goed uit te voeren.
  • Een ander punt waar mensen met epilepsie moeite mee hebben is het inschatten van een situatie. Ze kunnen bijvoorbeeld niet goed overzien wanneer een afspraak is. Zij worden dan overvallen, ook tijdens heel gewone dagelijkse gebeurtenissen. Zoals het naar buiten gaan voor een wandeling of koffie drinken. Omdat het voor hen onverwachts is dat zij hun jas aan moeten doen of op hun stoel moeten blijven zitten, raken zij in verwarring.
  • Mensen met epilepsie kunnen zich soms lastig uiten. Hierdoor kunnen zij niet goed duidelijk kunnen maken wat zij bedoelen. Ze hebben bijvoorbeeld moeite met het vinden van de juiste woorden. Of ze kunnen geen goede zinnen maken. Ook gebeurt het dan dat de uitspraak niet goed verstaanbaar is.

Hoe kunnen wij helpen?

Bij SEIN werken we met logopedisten. Zij doen onderzoek naar het taalniveau van mensen met epilepsie. Meestal vinden ze wel een manier om met hen te communiceren. Lukt praten niet? Dan werken ze met foto’s of pictogrammen. Zo kan iemand die niet goed kan praten, toch mee doen met dagbesteding en activiteiten. 

Het Communicatie Advies Team (CAT)

Voor communicatievragen is er het Communicatie Advies Team (CAT). Dat team bestaat uit mensen van de afdeling logopedie, een gedragswetenschapper, een manager en de begeleiders. Zij ondersteunen medewerkers en bieden cursussen aan, zoals Nederlands met Gebaren. Ook zorgen ze voor handige manieren om de communicatie te verbeteren. Zo worden brieven begrijpelijker gemaakt met foto's of illustraties.

Dit gebeurt bijvoorbeeld om mensen met epilepsie uit te leggen wat er gaat gebeuren, zoals bij een verhuizing of ziekenhuisopname. Het CAT heeft speciale themaboeken gemaakt om over dit soort dingen te kunnen communiceren. Deze oplossingen bieden houvast, structuur en vergroten de zelfstandigheid.

Hulp van logopedisten

Logopedisten werken hard om de bewoners te steunen bij hun communicatie. Zij stellen daarbij de volgende vraag: “Hoe zorgen wij ervoor dat iemand zich goed kan uiten? Op zo’n manier dat zijn omgeving hem voldoende begrijpt?” Ook heeft de logopedist tips voor de gesprekspartner:

  • Langzaam spreken
  • Genoeg pauzeren tussen de zinnen
  • Een ding tegelijk noemen
  • Korte zinnen maken
  • Bij een vraag alvast twee keuzes geven

Ervaringsverhaal T.

“T. heeft er moeite mee om de dag te overzien. Daarom is zijn dagprogramma visueel gemaakt. Op het dagprogramma kan T. precies zien wat hij gaat doen. Bijvoorbeeld fruit eten en daarna buiten fietsen. Zo weet hij waar hij aan toe is en dat biedt hem overzicht en rust. De begeleiding hangt de foto’s van de activiteiten in de juiste volgorde op. T. heeft een eigen fototoestel en kan zelf goed fotograferen. De foto’s van zijn dagprogramma heeft T. zelf gemaakt. Zo is het helemaal zijn eigen programma geworden. Soms hangt er een vraagteken op zijn bord. Dan mag T. zelf een activiteit kiezen. Zo bepaalt hij deels zelf wat hij doet.”

 

   

bed verschonen

T. kan zich zelfstandig douchen, maar heeft moeite met de volgorde van alle handelingen. Op een pictogrammen-strook naast de douche staat de volgorde precies aangegeven.

Voorbeeld van een weekschema (wanneer ga ik naar huis?)