Nieuws

Presentatietijd

donderdag, 5 oktober 2017
SEIN Fellow Evelien Geertsema tijdens een presentatie

Evelien Geertsema

Je werk presenteren vind ik één van de leukste onderdelen van onderzoek doen. Je mag iets waar je maanden aan gewerkt hebt en misschien nog langer over nagedacht, eindelijk delen met de wereld. En ik vind het zelf altijd wel een mooie uitdaging om complexe informatie toch voor mensen begrijpelijk te maken. Maar het is ook wel een beetje spannend: wat als je tijdens je onderzoek een aanname hebt gedaan die niet klopt, of een foutje hebt gemaakt? En die zaal vol mensen die je allemaal aanstaren…

Waarom presenteren onderzoekers?

Zoals ik in mijn vorige blog over het schrijven van artikelen al vertelde, willen onderzoekers hun bevindingen delen met de wereld, om kennis en wetenschap verder te brengen. Je kunt wel enorm relevant en interessant werk hebben gedaan, maar als niemand erover hoort, heb je er alleen zelf wat van geleerd. Je bevindingen kun je delen door een artikel te publiceren, maar ook door je werk te presenteren. Meestal gebeurt dit op een congres, waar ook collega-onderzoekers en andere geïnteresseerde mensen naartoe komen. Het mooie van je werk op een congres presenteren, is dat je ter plekke met mensen over je onderzoek kunt praten. Je publiek kan vragen aan je stellen na (of soms ook tijdens) het vertellen van je verhaal. Die vragen leren je iets over wat nog niet duidelijk was in je verhaal of wat misschien nog onderzocht moet worden. Ook kunnen mensen je tips geven over hoe je onderzoek nog verbeterd kan worden.

In welke vorm?

Als je presenteert op een congres, dan gaat dit meestal in de vorm van een presentatie met dia’s op een scherm, of een poster. De dia’s of poster maak je zelf. Soms is het de bedoeling dat je een pitch geeft; dit is een superkorte mini-presentatie van maar een paar minuten. Zo’n pitch geef je dan vaak in combinatie met een poster; om mensen naar je poster te lokken. Diapresentaties en posters zijn erg verschillend, maar beide op hun eigen manier leuk om te presenteren. Bij een presentatie voor een zaal heb je vaak iets meer tijd dan bij een poster, waarbij mensen langslopen en even bij je stoppen om in een paar minuten te horen wat je gedaan hebt. Ook kun je bij een presentatie meer plaatjes en figuren gebruiken dan op een poster, waar je ruimte veel beperkter is. Een poster is dan weer persoonlijker en directer dan een diapresentatie. Je publiek staat veel dichterbij, dus je kunt direct aan de gezichten zien of ze je verhaal begrijpen. Ook krijg je meer en andere vragen dan bij een diapresentatie, omdat mensen sneller durven als ze alleen of met een klein groepje bij je staan, dan wanneer ze in een zaal vol mensen zitten.
De organisatoren van het congres bepalen of je je werk mag komen presenteren en in welke vorm. Onderzoekers sturen ver (vaak maanden) voor het congres een korte samenvatting van hun werk op, zodat de organisatoren een keuze kunnen maken. Er is niet altijd ruimte om alle onderzoekers die willen meedoen iets te laten presenteren.

Presenteren kun je leren

Tijdens mijn middelbare school- en studententijd kon ik best opzien tegen presentaties. Het waren goede oefeningen, maar echt leuk vond ik het niet. Ik begon het pas leuk te vinden toen ik mocht gaan presenteren over dingen

  1. die ik echt interessant vond,
  2. waarvan ik het gevoel had dat ik anderen iets kon leren en
  3. waarvoor ik genoeg tijd had om een goed verhaal voor te bereiden.

Toen ik presenteren leuker begon te vinden, wilde ik er ook graag beter in worden. Naast veel oefenen, kon je hiervoor bij de universiteit waarbij ik als promovendus (onderzoeker in opleiding) ben aangesloten, een heleboel leuke cursussen en trainingen volgen. Zelf vond ik de belangrijkste les uit die cursussen: ken je publiek. Als je vooraf nadenkt over vragen als “wat weet mijn publiek al en wat weten ze niet?” of “wat is voor mijn publiek relevant en interessant?”, dan kun je je verhaal begrijpelijker, interessanter en leuker maken. Dat presentaties leuker werden voor mijn publiek maakte ook dat het leuker werd voor mezelf, waardoor ik het vaker ging doen. Oefening baart kunst zeggen ze toch altijd? Al zal het altijd wel een beetje spannend blijven.

Evelien Geertsema